De profeet Abraham - Deel 2

De migraties en de geboorte van zijn eerste zoon.

In naam van Allah de Barmhartige de Genadevolle. En vrede en zegeningen zijn met eenieder van de profeten evenals met hen die hun boodschap volgen. Het onderwerp wat in deze video besproken zal worden is: De profeet Abraham - Deel 2.

Salamoe aleikoem, vrede zij met jullie en welkom allemaal bij een nieuwe aflevering over verhalen van de profeten. In de vorige aflevering hebben we deel 1 van het verhaal van Abraham  besproken en vandaag zullen we doorgaan met deel 2 en de volgende keer zullen we het verhaal eindigen met deel 3. Voor diegenen die deel 1 nog niet hebben gezien: jullie kunnen deel 1 bekijken op de site, deel 1 van Abraham is te vinden onder het kopje "profeten".

Deel 2 zullen we met de Wil van Allah aan de hand van de volgende punten bespreken:
- De woordenwisseling van Abraham met de koning Namroed
- De migratie van Abraham naar Egypte en de geboorte van Ismaël
- De migratie naar Mekka en de bouw van het Heilige huis

De woordenwisseling van Abraham met de koning Namroed:
Nadat Allah Abraham had gered van het vuur werd zijn zaak voorgelegd aan een koning genaamd Namroed. Deze koning had een heel koninkrijk onder zich en beschouwde zichzelf in feite als god, hij was hoogmoedig en ging met Abraham in discussie. Allah vertelt ons in de Koran in hoofdstuk 2 vers 258 over het gesprek tussen Namroed en Abraham. Allah zei: 

أَلَمْ تَرَ إِلَى الَّذِي حَآجَّ إِبْرَاهِيمَ فِي رِبِّهِ أَنْ آتَاهُ اللّهُ الْمُلْكَ إِذْ قَالَ إِبْرَاهِيمُ رَبِّيَ الَّذِي يُحْيِـي وَيُمِيتُ قَالَ أَنَا أُحْيِـي وَأُمِيتُ قَالَ إِبْرَاهِيمُ فَإِنَّ اللّهَ يَأْتِي بِالشَّمْسِ مِنَ الْمَشْرِقِ فَأْتِ بِهَا مِنَ الْمَغْرِبِ فَبُهِتَ الَّذِي كَفَرَ وَاللّهُ لاَ يَهْدِي الْقَوْمَ الظَّالِمِينَ

“Hebt u niet gekeken naar degene die met Ibrahim (Abraham) redetwistte over zijn Heer, omdat Allah hem het koninkrijk gegeven had? Ibrahim zei: 'Mijn Heer is Degene Die het leven geeft en de dood veroorzaakt.' Hij zei: 'Ik geef het leven en veroorzaak de dood.' Ibrahim zei: 'Waarlijk! Allah laat de zon in het oosten opkomen, laat u hem dan van het westen opkomen.' De ongelovige werd zo dus verpletterend verslagen. En Allah leidt niet de mensen die onrechtvaardig zijn”.

Toen Abrahim Namrud uitnodigde om alleen Allah te aanbidden, zette zijn arrogantie en onwetendheid hem ertoe Zijn Schepper te ontkennen. Hij zei zelfs dat hij een god was. Abrahim zei: "Mijn Heer is Degene Die leven geeft en de dood veroorzaakt." Hij zei: "Ik geef leven en veroorzaak de dood." Dit betekende, dat als twee gevangenen tot de dood veroordeeld waren, hij één van hen vrij liet en de ander veroordeelde. Zo beweerde hij, dat hij de één zijn leven schonk en aan het leven van de ander een einde maakte! Natuurlijk was dit niet wat Abraham bedoelde maar hij ging hier niet op in en zei: "Waarlijk! Allah laat de zon in het oosten opkomen, laat u hem dan van het westen opkomen."

Allah, de enige God en Schepper, beveelt de zon iedere dag op te komen in het oosten. Als je een god bent, zoals je beweert, dan kun je hem bevelen om in het westen op te komen. Degene die over leven en dood heerst, kan immers doen wat hij maar wilt en alles aan zijn wil onderwerpen. Als je niet in staat bent dat te doen, dan ben je niet degene die je beweert te zijn. Integendeel, dan ben je heel zwak, je kunt niet eens een mug scheppen en je beweert een god te zijn? Allah zegt hierover dan ook in de Koran dat de ongelovige koning op deze manier werd verslagen in de discussie.

De migratie van Abraham naar Egypte en de geboorte van Ismaël:
Toen het volk van Abraham zich slecht gedroeg en in ongeloof volhardde, nam hij zijn vrouw Sarah en zijn neef Lot mee naar Egypte waar zij Allah konden aanbidden en de mensen daar konden uitnodigen naar de Islam. Allah zegt hierover in hoofdstuk 29 vers 26 van de Koran: 

فَآمَنَ لَهُ لُوطٌ وَقَالَ إِنِّي مُهَاجِرٌ إِلَى رَبِّي إِنَّهُ هُوَ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ

“Dus geloofde Lot in hem. Hij (Abraham) zei: 'Ik zal voor mijn Heer wegtrekken. Waarlijk, Hij is Almachtig, Alwijs.”

Nadat ze een tijd in Egypte waren geweest keerden Abraham, Sarah en Lot terug naar Palestina. En er was nog een persoon die meeging naar Palestina, en dit was het Egyptische meisje Hadjar. Op verzoek van Abraham vetrok Lot naar een stad genaamd Sodom. Abraham was dus alleen overgebleven met Sarah en Hadjar. En nadat Abraham was aangekomen in Jeruzalem en daar een tijd verbleef zei Sarah tegen Abraham: ‘Aangezien Allah mij onvruchtbaar geschapen heeft, kun je Hadjar als vrouw nemen en zo misschien kinderen krijgen.’ Toen raakte Hadjar in verwachting en zij voelde zich trots tegenover haar meesteres Sarah. Dit maakte Sarah jaloers en ze klaagde tegen Abraham, die zei, dat ze zelf kon beslissen hoe ze zich moest gedragen tegenover haar.

Hadjar werd bang en vluchtte naar een dichtstbijzijnde bron. Een engel kwam naar haar toe en verzekerde haar, dat ze een kind zou baren wiens naam Ismaël zou zijn. Hij voegde eraan toe, dat de jongen zich zou onderscheiden onder zijn volk. Zij dankte Allah en keerde terug en schonk het leven aan Ismaël. Dit gebeurde 13 jaar voor de geboorte van Isaac. Abraham was toen 86 jaar oud. Ibn Kathir, een vooraanstaande islamitische geleerde, zei dat de jaloersheid van Sarah zo erg werd, dat ze Abraham vroeg om Hadjar weg te brengen. Hij deed wat Sarah wilde en hij bracht Hadjar en Ismaël naar een verre plek, het tegenwoordige Mekka.

De migratie naar Mekka en de bouw van het Heilige Huis:
Abraham reisde samen met Hadjar en Ismaël naar een plek die toen nog Bekka heette, maar tegenwoordig bekend is als Mekka. Er woonde in die tijd nog niemand in Mekka. Er was geen water daar. Abraham liet Hadjar en Ismaël achter met een waterzak vol met water en een mand met dadels. Vervolgens vertrok Abraham naar huis. Op dat moment volgde Hadjar hem en zei: 'Abraham! Ga je weg en wil je ons achterlaten in deze vallei waar geen mensen wonen en niets is om ons te onderhouden?' Zij herhaalde de vraag, maar hij antwoordde niet. Zij vroeg hem: 'Gaf Allah jou dit bevel?' Hij antwoordde: 'Ja.' Zij zei: 'Dan zal Hij ons niet in de steek laten.' Daarna keerde zij zich om en Abraham vervolgde zijn reis. Toen hij de  bergen bereikte en uit het zicht verdwenen was, hief hij zijn handen op in de richting van het Huis en smeekte Allah zoals Allah ons verteld in hoofdstuk 14 vers 37 van de Koran:

رَّبَّنَا إِنِّي أَسْكَنتُ مِن ذُرِّيَّتِي بِوَادٍ غَيْرِ ذِي زَرْعٍ عِندَ بَيْتِكَ الْمُحَرَّمِ رَبَّنَا لِيُقِيمُواْ الصَّلاَةَ فَاجْعَلْ أَفْئِدَةً مِّنَ النَّاسِ تَهْوِي إِلَيْهِمْ وَارْزُقْهُم مِّنَ الثَّمَرَاتِ لَعَلَّهُمْ يَشْكُرُونَ

“O onze Heer! Ik laat een paar van mijn kinderen in een dal wonen waar geen landbouw is, bij Uw heilige Huis; zodat zij, O onze Heer hun gebed perfect kunnen verrichten, vul dus wat harten onder de mensen met liefde voor hen en voorzie hen met vruchten zodat zij dankbaar kunnen zijn.”

Hadjar ging door met het voeden van Ismaël en ze dronk van het water. Toen het water op was, kregen zij en haar baby dorst. Toen ze zag, hoe dorstig de baby was, kon ze het niet verdragen en ging weg op zoek naar water. Ze kwam aan bij de berg Safa, die de dichtstbijzijnde top was, en klom omhoog. Zij keek neer op de vallei in de hoop iemand te zien, maar er was niemand. Daarna daalde ze de berg Safa weer af en liep naar de vallei. Toen ze de vallei bereikt had, hield ze haar jurk vast en liep haastig en vermoeid. Nadat ze door de vallei gelopen was, kwam ze aan de berg Marwa, ze klom omhoog en keek rond of ze iemand zag, maar er was niemand. Zij herhaalde dit zeven keer.

De profeet Mohammed heeft gezegd dat: “Dit is de reden, dat de mensen vlug lopen tussen hen (Safa en Marwa).” Toen ze dichtbij de berg Marwa was, hoorde ze een geluid en zei: "Luister" (terwijl ze tegen zichzelf praatte). Ze zag een engel in de bron van Zamzam. De engel was de grond aan het uitgraven met zijn hiel of met zijn vleugel, totdat er water opborrelde. Zij maakte een begrenzing aan vier kanten en vulde haar waterzak. Iedere keer als het water omhoog borrelde, nam ze een handvol. Daarna dronk ze en voedde haar baby. De engel zei tegen haar: "Wees niet bang, dat het water zal verdwijnen. Hier, op deze plek, zal het Huis van Allah gelegen zijn, en het zal later door deze baby en zijn vader gebouwd worden. Allah wenst niet, dat zijn bewoners van dorst omkomen."

Zij verbleef daar een tijdje, totdat een groep mensen voorbijkwamen. Toen ze afdaalden naar Mekka, zagen ze een vogel die almaar rondvloog. Hieruit maakten ze op, dat de vogel water ontdekt had. Zij waren verbaasd, want zij kenden deze vallei en wisten, dat er geen water was. Zij stuurden één of twee boodschappers om poolshoogte te nemen. De boodschappers vonden water en informeerden hun mensen hierover. Zij ontmoetten de moeder van Ismaël, terwijl ze bij het water stond. Zij vroegen om toestemming om daar een rustpauze te nemen. Zij vond het goed, maar zei, dat ze geen recht over het water hadden, hetgeen zij accepteerden.

En zo ging er een lange tijd voorbij totdat de kleine Ismael een volwassen man geworden was. Abraham had Hadjar en zijn zoon Ismael meerdere malen bezocht in de tussentijd. Na een lange tijd bracht Abraham weer een bezoek aan Ismaël. Abraham vertelde zijn zoon toen, dat Allah hem iets bevolen had te doen, namelijk het bouwen van het Heilige huis . Daarop zei Ismaël: "Volbreng dan wat Allah je beveelt!" Abraham vroeg: "Help je mij erbij?" "Ja natuurlijk," antwoordde Ismaël. Abraham wees toen naar een heuvel en de omgeving ervan en zei: "Allah heeft mij bevolen een huis te bouwen op deze plaats." Daarna begonnen ze met het maken van de fundamenten van het Heilige huis. Mekka is dus een heilige plaats, zoals Allah verklaard heeft, tot aan de Dag der Opstanding. Allah zegt in hoofdstuk 3 vers 96: 

إِنَّ أَوَّلَ بَيْتٍ وُضِعَ لِلنَّاسِ لَلَّذِي بِبَكَّةَ مُبَارَكاً وَهُدًى لِّلْعَالَمِينَ

“Waarlijk, het eerste huis is voor de mensheid in Bakka aangewezen, vol zegeningen en een leiding voor de wereldbewoners.”

De eerste plaats van aanbidding waar de mens zegeningen en leiding kon vinden, was het huis dat in Bakka(Mekka) gelegen was. Toen het gebouw hoog werd, maakten ze een rots als een soort trapje waar Abraham stond en Ismaël hem de rotsblokken aangaf. Gedurende dit proces herhaalden ze de volgende smeekbede die te vinden is in hoofdstuk 2 vers 127:... “Onze Heer, accepteer (deze dienst) van ons. Waarlijk! U bent de Alhorende, de Alwetende.” Dat brengt ons aan het einde van deel 2, bedankt voor het kijken en tot de volgende keer, dan zullen we deel 3 behandelen met de Wil van Allah, salamoe aleikoem, vrede zij met jullie!