Noureddine werd moslim

"Moet je praktisch vormgeven aan je geloof in God?"

In naam van Allah de Barmhartige de Genadevolle. En vrede en zegeningen zijn met eenieder van de profeten evenals met hen die hun boodschap volgen.

In 2004 vond er een moment plaats waarna ik mij moslim ging noemen. Formeel kun je dit als het moment van mijn ‘bekering’ aanwijzen, het moment van mijn getuigenis in een klein moskeetje in Amsterdam Noord. Maar eigenlijk was het slechts een klein schakeltje in de tijdslijn van mijn moslimschap.

Waar de meeste mensen tegenwoordig spreken over het moslim ‘zijn’, heb ik islam en moslim altijd als werkwoorden opgevat, als ‘werk in uitvoering’. Ik probeer continu islam vorm te geven in mijn leven, door mij over te geven aan Allah. Natuurlijk: formeel was ik moslim zo gauw ik de geloofsgetuigenis uitsprak, maar ik beschouw mijzelf zeker niet als uitgeleerd of klaar in mijn ontwikkeling. Ik denk dat je altijd verder moet streven: naar meer zuiverheid in je geloof, meer oprechtheid in de relatie met je Schepper en naar een nuttigere bijdrage aan je directe en wijdere omgeving. Het is misschien handig om mijn ontwikkeling als persoon en als moslim hier praktisch te schetsen.

2004 was niet het eerste moment dat ik bewust met de islam in aanraking kwam: dat was zo rond 2002, toen ik in een Engelstalige boekhandel in hartje Amsterdam 3 Zuid-Afrikaanse moslims tegen het lijf liep. Zij gaven mij een voorbeeld van de manier waarop je moslim kunt zijn, met een sterke balans tussen het alledaagse leven en het leven richting het hiernamaals. Toch is ook dat niet het moment geweest dat ik mij op het pad van de islam begaf. Misschien wel volgens de nauwe definities van de diverse religieuze overtuigingen, maar feitelijk begon mijn zoektocht naar Allah op het moment dat ik Hem nog vooral als God kende, en mijn katholieke leefomgeving mij leerde dat Hij een zoon zou hebben, die gestorven zou zijn voor onze zonden. Die zoon, zo vertelde mijn katholieke omgeving, die heette Jezus (In de islam zou ik hier later aan toe voegen: vrede zij met hem.)

Al op mijn twaalfde nam ik afstand van deze opvatting en andere basisprincipes van het katholicisme –bijv. de erfzonde en het geven van de schuld aan Eva; het idee van Jezus als zoon van God (maar niet van hem als persoon. Integendeel! Ik vond en vind Jezus een ontzettend sterk en indrukwekkend mens). Daarnaast had ik nog wel meer bedenkingen met betrekking tot het katholicisme en christendom in het algemeen, maar ik laat het hier bij: het is niet mijn bedoeling om christenen en hun overtuiging te beledigen, maar om mijn persoonlijke pad naar God weer te geven.

Nadat ik zo rond mijn twaalfde het katholicisme gedag had gezegd – praktisch gezien door het weigeren van het ‘vormsel’, een van de belangrijkste sacramenten – begon ik na te denken over mijn relatie tot de Schepper. Ik was hier niet dagelijks mee bezig, maar had van die periodes dat ik worstelde met het idee dat ik weliswaar geloofde in God, maar dat ik eigenlijk niets deed om dit geloof vorm te geven in mijn leven. De eerste vraag die ik voor mezelf probeerde te beantwoorden was: is het nodig om praktische vorm te geven aan geloof? Terwijl ik mijn leven leidde, uitging, sportte, naar school ging, nog meer sportte, verliefd werd, verhuisde, ging studeren en ga zo maar door – beantwoordde ik die vraag steeds met nee. Nee, een praktische vorm is niet nodig. Een concrete invulling, buiten een vorm van ‘algemeen goed doen als mens’ leek me totaal niet noodzakelijk.

Toch bleef die vraag terugkomen. Heel irritant, want als je een vraag beantwoord hebt, moet ie weggaan. De opdracht is vervuld en de koek is op. Wegwezen met je existentiële twijfels! Toch bleef die vraag komen, jaar in, jaar uit. Zeer vermoeiend, maar blijkbaar noodzakelijk. Onbewust vond ik het waarschijnlijk een fout antwoord. Ik vond het dus wel nodig om praktische vorm te geven aan mijn geloof. Toen ik rond 2002 mijn Zuid-Afrikaanse collega’s tegen het lijf liep, was er een bepaalde  ‘klik’. Iets in hun manier van onderlinge omgang, hun familieleven, hun doen en laten, trok mij aan en beïnvloedde mijn manier van denken en doen. Een van hen nam me ook op sleeptouw om vrijwilligerswerk met kinderen te gaan doen, iets wat alvast een praktische invulling van ‘goed doen’ zou worden, maar wat vooral ook gewoon erg leuk was.

Ik sprak ook veel met deze familie, over de Schepper, gebeden verrichten, de plek van familie (en vooral van ouders) en over vasten (vooral in de maand ramadan). Uiteindelijk besloot ik eens wat nuttigs te doen in die boekhandel: boeken lezen over de islam en moslims. Voor iemand die opgegroeid is met de verhalen van Adam, Noah, Abraham, Mozes en Jezus is lezen over de islam een feest van herkenning. Maar ook een zgn. reality check. Islam is met stip de meest logische der religies, en voor mij ook direct de meest aanvaardbare. Wat destijds erg vaak naar voren kwam, vooral in het lezen van diverse koranvertalingen, was de directe relatie met je Schepper (geen pastoor, priester of rabbijn die er tussen zit), maar ook de noodzaak van ‘geloven en goede daden verrichten’ (waarmee Die Ene Vraag zo goed als beantwoord werd) en de belofte van Allah dat Hij niemand belast boven zijn of haar vermogen. Ik was gefascineerd door de directheid, de logica, de oprechtheid, de aanspraak op je verstandelijke vermogens. En eigenlijk is dat het hele eier eten.

Maar mogelijk toch nog niet helemaal. In de tijd van 2002-2004 gebeurde er van alles. Diverse oorlogen in en om moslimlanden waren gestart, her en der vonden aanslagen plaats, opeens noemden grootsmachten als Rusland, China en Israël de verzetstrijders in hun land ‘islamitische terroristen’, waardoor ze minder last van mensenrechtenorganisaties hadden. De manier waarop verschillende media moslims - en vooral ook daaraan gelijk geschakeld de islam -  neerzetten, leek me, met de wetenschap hoe mijn Zuid-Afrikaanse vrienden in mekaar zaten, zeer onrealistisch. Dus ging ik op onderzoek uit. De boeken in!

In die periode ben ik zoveel mogelijk  boeken gaan lezen over de islam en moslims. Ik nam een “om-en-om” methode: een boek van een moslim over de islam, vervolgens eentje van een nietmoslim over de islam, enzovoorts. Allengs vormde zich een beeld bij mij van hoe de islam zou (moeten) zijn, hoe moslims hier soms van afwijken en hoe dit reflecteert op het beeld van de islam wereldwijd, omdat media de makkelijkste optie kiezen in hun weergave van de feiten. Na een jaar van lezen en praten, was ik op vakantie met vrienden. Ik las een biografie over het leven van de profeet Mohammed, en had een tweetal koranvertalingen bij me. Een van hen zag  me daar zitten aan het kleine strandje en zei: geen moslim worden, hoor! ‘Tuurlijk niet ouwe, was mijn antwoord. Tja, wist ik veel.

Terug in Nederland begon het te kriebelen. Nog maar eens wat boeken gelezen, dit keer wat praktischer van aard, want ik wilde eigenlijk wel weten wat het precies inhield om als moslim te leven. Ik vastte dat jaar ook mee tijdens de maand ramadan. Appeltje-eitje, want het was hartje winter (alhoewel ik er wel een potje van maakte door met zonsopgang te stoppen met drinken en eten i.p.v. met het begin van zonsopgang, zo’n anderhalf uur eerder). Mijn Zuid-Afrikaanse collega’s waren inmiddels vrienden en ze nodigden mij uit om enkele malen met hun en bevriende moslims het vasten te verbreken. Zo belandde ik op een avond in Almere, bij hun oom en tante, waar we gezamenlijk een dadel en wat water namen en zij zich vervolgens klaar maakten voor het eerste avondgebed.

In de woonkamer gingen vader, zijn broer en diens twee zoons en een andere neef, op een rij staan. Een van de familieleden fluisterde dat ik mee mocht bidden als ik wilde. Op dat moment wilde ik wel, maar toch ook niet. Alles in mij schreeuwde dat dít het was. Toch deed ik het niet. Ik was immers geen moslim. Om terug te komen op ‘islam’ als werkwoord: hier begon het woord te werken. Toen ik op de bank zat en mijn vrienden en hun familie zag bidden, (nog voordat ze ‘echt’ gingen eten na een dag vasten), besefte ik de tweesprong waarop ik mij bevond. Die ramadan was een bijzonder moment. Nadien ben ik langzaam verder de islam ingegroeid. Ik was al een paar maanden thuis het gebed aan het oefenen en besloot via een neef een keer naar de moskee te gaan. Daarna wilde ik alleen nog een moskee met een Nederlandstalige imam vinden. Dat duurde even.

Uiteindelijk ben ik met een stapel boekjes naar een klein moskeetje in Amsterdam Noord gegaan, boven een ouwe tapijtfabriek. Daar sprak ik met de imam (die helaas toch geen Nederlands bleek te spreken) en uiteindelijk kwam hij bij de geloofsgetuigenis uit. Dat leek mij ook wel een goed plan. Of eigenlijk ging het net even anders: ik stond in die kleine moskee in Noord, op een leeg industrieterrein en per ongeluk, maar volledig bij mijn verstand, sprak ik daar toen de geloofsgetuigenis uit. Ik bestudeerde de Islam al een jaar of anderhalf, maar was nog niet overtuigd van het feit dat ik deel van de Ummah wilde uitmaken. Raar eigenlijk. Als ultieme vorm van individualisme, stond ik klaar om de Islam te omarmen, enkel en alleen voor Allah swt maar ook enkel en alleen tussen Allah swt en mijzelf. Ik zou dit delen met niemand. Tja, denk ik nu, als ik dat echt wilde, had ik geen moskee binnen moeten lopen.

Ik kwam enkel met de intentie om wat boekentips te krijgen en meer over de Islam te weten te komen. Door een misverstand met de imam, wees hij mij de volgende transliteratie aan in een van mijn gebedsboeken: “ashadoe en laa ilaha ilAllah wa ashadoe enna Mohammaden abdoehoe wa rasoelAllah.” Hmm. Wacht ‘ns even… die woorden kende ik al: de geloofsgetuigenis! Destijds las ik van alles over de Islam: boeken van moslims van allerlei pluimage, boeken van haters van de Islam en/of moslims, boeken van oriëntalistische duiven over de schoonheid van de Islam. Alles kwam direct en puur binnen. De Islam kwam mij voor als een welkome verrijking van mijn leven. Zakelijk bezien zag ik in dat deze religie mij bekend voorkwam: vele zaken geloofde en deed ik al, andere zaken zouden mij hopelijk tot een beter mens maken.

Op deze wijze kwam ik rationeel tot de beslissing dat ik moslim zou worden, eerst nog wat onzeker, thuis biddend op mijn knieën met een boekje in mijn hand. Later wat zelfverzekerder met soerah al Fatiha in polder-Arabisch. Toen ik die moskee in Noord binnenkwam was ik echter wel overtuigd van de Islam, maar nog solo als Remi. In het kort: van mijn geloof in God, ook na mijn afscheid van het katholicisme, belandde ik via de vraag: ‘wat wil ik doen voor God’, bij goede vrienden die mij lieten zien hoe je op bijzondere wijze de balans tussen je dagelijks leven en het dienen van God kunt realiseren, hoe je kunt zorgen voor je familie en de ruimte kunt creëren voor gebed en vasten, maar ook voor zaken als algemeen maatschappelijk vrijwilligerswerk. En opeens getuigde ik dat niets of niemand het waard is om aanbeden te worden behalve Allah, en dat Mohammed (vzmh) Zijn dienaar en boodschapper is.