Isaa werd moslim

De weg naar de islam van Amsterdamse Isaa.

In naam van Allah de Barmhartige de Genadevolle. En vrede en zegeningen zijn met eenieder van de profeten evenals met hen die hun boodschap volgen.

Interviewer: Assalamoe alaykoem wa rahmatollahi wa barakatoeh (Allah’s vrede, genade en zegeningen zij met jou)

Isaa: Wa alaykoem assalam wa rahmatollahi wa barakatoeh, akhi (hetzelfde voor jou, broeder)

Broeder Isaa, welkom bij de site waaromislam.nl. waar wij trachten om in te gaan op de levens van mensen, de verhalen van broeders. Om op die manier er achter te komen wat men beweegt, waarom men het doet en hoe het in zijn werking gaat, de bekering tot de islam. Jouw verhaal heeft een begin, een loop en ik wil je graag vragen hoe het is gegaan. Waar is het begonnen en hoe is het gegaan. Jouw pre-islamitische leven.

Het is begonnen eigenlijk vanaf mijn negende jaar al, ik zat op een openbare lagere school. Maar in mijn klas zaten drie Turkse kinderen, die waren moslim natuurlijk, islamitisch opgevoed. Zaten drie Marokkaanse kinderen bij mij in de klas, er zaten vier Surinaamse kinderen in de klas en hindoestaanse. Dus je hebt al meteen atheïsten, christenen want Surinaamse mensen zijn bijna allemaal protestants-christelijk van verschillende stromingen  en natuurlijk de Marokkaanse en Turkse kinderen waren islamitisch. En hadden een hoofddoek om, twee van die Turkse meisjes. Ze mochten niet mee op schoolreisjes bijvoorbeeld, want er gingen jongens mee en dat soort dingen. Dan kom je toch al met religie in aanraking terwijl je op een openbare, atheïstische  school zit.

Dat riep vragen bij je op?

Ja natuurlijk, want ik vroeg aan mijn moeder, want ik ben atheïstisch opgevoed. Ik heb een Hebreeuwse moeder, dus niet joods, niet van religie. Mijn oma is een Hebreeuwse vrouw waar je aan kon zien dat ze joodse dingen had. Ik heb mijn oma nooit gezien in een korte rok, het kwam altijd onder haar knie.

Dus er waren bepaalde religieuze insteken?

Ja ik heb toch wel dingen geleerd, maar niet bewust en duidelijk. Ik kwam dus op mijn negende jaar bij mijn moeder van ‘mama’. Ik ben thuis atheïstisch opgevoed. Mijn vader was van een katholieke boerenfamilie, maar hij is de enige in zijn familie die niet praktiseert en ook niet in God gelooft. Dus ik vroeg aan mijn moeder van ‘wat is dat nou toch mama, zoveel kinderen in mijn klas hebben het over God, wat is dat, God?’. Tante Willy, mijn moeder haar Surinaamse vriendin die ik al vanaf mijn geboorte ken, was zwaar christelijk. Dus daar hoorde ik in huis, als ik daar was als kind ook het woord ‘God’. Dus dat liep voor mij allemaal paradox, contra op elkaar.

De een heeft het er niet over of gelooft er niet in, de ander gelooft er wel in. Dus ik vond het al een hele interessante vraag, omdat ik dacht: of mensen wel of niet geloven, ze denken allemaal over dat begrip na, schijnbaar.

Dat was voor jou een reden om nog verder daar op in te gaan?

Ja, dus ik kwam bij mijn moeder en daar kreeg ik geen bevredigend antwoord van. Ik kwam soms bij mijn vader en zijn familie thuis, en die gingen bidden voor het eten, bidden na het eten. Als ik bij mijn tante sliep, dan zag ik mijn neefje, het eerste wat hij deed als hij uit bed kwam was een katholiek gebed op zijn knieën. Als hij naar bed ging ’s avonds, zat hij te bidden op zijn knieën. Ik maakte twee kanten mee, een kant die helemaal nergens in geloofde maar ook een kant die heel religieus was. Ik hoefde bepaalde woorden bij tante Willy in huis, de Surinaamse vrouw, niet te zeggen want dan zei ze: je moet je schamen voor God! Dat kreeg  ik thuis nooit te horen, ik kreeg te horen; je moet je schamen als mens, maar niet voor God.

Maar als je bij dat soort mensen thuis komt krijg je te horen voor God dat je je moet schamen. Toen kwam ik een keer bij mijn oma en zei ik: oma hoe zit het nou met een jood zijn? Want ik voelde toch aan dat dat iets ermee te maken had. En toen zei me oma: jongen word nou maar gewoon een goed mens, want daar heeft de wereld veel meer behoefte aan dan een goede jood. Op een gegeven moment vroeg ik  haar in de keuken, en dat was de doorslag; hoe zit het nou met u en God, oma? Toen was ik negen a tien jaar, ik heb mijn grootmoeder nooit zien schrikken. 

Ze werd helemaal bleek en ze zette het gas af, nou als een Hebreeuwse vrouw het gas af doet terwijl ze voor haar gezin aan het koken is, is er echt iets mis kan ik je vertellen. Toen zei ze: kom maar naar de kamer, en zei ze: ik heb met God een appel te schillen. Dat vond ik wel heel vreemd. Mijn grootvader waarmee ze getrouwd was, was ook een atheïst. En toen keek ik me oma aan en ik zeg; oma ik ga u nog een keer een vraag stellen, u heeft altijd gezegd dat God niet bestaat en nu heeft ineens u nog een appel te schillen met God, en waarom dan? Toen zei ze; omdat ik veel gebeden heb en toch me hele familie is uitgemoord. Mijn oma zat bij het verzet, mijn overgrootvader was met een christelijke vrouw getrouwd.

Tijdens de oorlog?

Ja, tijdens de tweede wereldoorlog. Dus mijn oma heeft de ariërverklaring nooit getekend en liep nu met een ster. Daardoor kon ze onderduiken, adressen regelen, voedselbonnen, pistolen liep ze mee rond. En toen keek ik me oma aan en ik zei oma luister nou, het is helemaal niet logisch wat u zegt. Ik geloof niet in kabouters, ik geloof niet in kabouters zei ik tegen me oma. Hoe kan ik dan daarna zeggen dat ik ruzie heb met de kabouters? Dus dat sloeg bij mij als kind in van dat ik het niet begreep. Ik zei; u gelooft niet in God maar nu heeft u een appel te schillen met God? Is Hij er nou wel voor u of niet? En toen ben ik heel erg gaan twijfelen en heel erg gaan nadenken ook, en tussen dat en wat daarna kwam zit nog een hele stap.

Ja ik hoorde al van je, er zijn heel veel invloeden geweest. Je hebt het over klasgenoten, oma, een vriendin die je al vanaf je geboorte kent, heb je het allemaal meegenomen in je reis?

Ja, natuurlijk. En daar ben ik altijd over na gaan denken. En ik merkte ook dat de mensen die allemaal in God geloofden, dat als ik met hun ging praten en dat merkte ik vooral op mijn zestiende. Ik woonde op mezelf en kwam in een begeleid kamerwoning het eerste jaar waar, nou ik geloof dat ik met nog een iemand de enige niet-christen was. En mijn mentor was zwaar protestants en die had elke week een lezing in zijn huis, en dan namen ze een bladzijde uit de christelijke bijbel en dan gingen ze er een paar uur over praten. Over de interpretatie en hoe ze dat konden interpreteren. Dus bij die man kon ik gelukkig mijn vragen stellen. En alle mensen in mijn pand, al die Surinaamse kids en ook twee Nederlandse waren christelijk, en gingen naar de kerk op zondag.

Wat voor invloed had dat op jou, die praktijk om je heen? Dit was geen appeltje schillen dit was echt praktijk.

Ja dit was echt praktijk. Nou ik kon wel merken dat er in die mensen een bepaalde degelijkheid zat die mij beviel. Het niet liegen, niet bedriegen, proberen de agressie in te tomen. Nou ik kom uit een volksbuurt dat als je op straat in de jaren 70 niet kon vechten dan werd er over je heen gelopen. En je moest gewoon een keer in de twee, drie maanden iemand zijn hoofd even op een motorkap slaan, dan had je weer respect in de buurt. En anders was je een zachtgekookt ei of een mietje en dat moest je in de jaren 70 niet hebben en dat beviel mij heel erg. Daarna kwam ik een Joodse jongen tegen, een Hebreeuw ook. Maar die was zwaar orthodox Joods opgevoed, Chassiye, het meest orthodoxe die in Jeruzalem met zwarte kleding lopen, hoedje op en daar kon ik hem dus ook vragen over stellen. 

En in dezelfde tijd kwam ik dus ook moslim jongeren tegen. En toen kwam ik erachter dat als ik naar een jood luisterde , naar een christen of naar de moslims, dat er heel veel overeenkomsten in zaten en zelfs dingen die eigenlijk hetzelfde zijn. Waar ze het zelfde over denken, begrippen, over respect, over familie, over bewustzijn dat God naar je kijkt bij wat je doet en wat je uitspookt. Ik vond eigenlijk in het begin meer overeenkomsten dan verschillen. En de reden waarom ik niet kon kiezen, want ik stam af van een familie van meer dan duizend, paar duizend jaar rabbijnen. Dus ik kreeg van mijn moeder een lijstje en dan zie je alleen maar; rabbijn, rabbijn en rabbijn.

Volgens mijn broer die het onderzocht heeft schijn ik bloedverwant te zijn van Zacharias, vrede zij met hem en Yahya. Want mijn moeder heet Zakaria, het is een familienaam, het woord bij moslims vaak gebruikt als een voornaam, maar bij het Hebreeuwse volk, de joden is het een familienaam. Dus in het Hebreeuws heet Johannes de doper/Yahya, vrede zij met hem, heet Joachim Zakaria. Ik begon na te denken en ik woonde natuurlijk op mezelf, ik was zestien en dan moet je zelf gaan bepalen hoe jij het leven gaat zien en interpreteren en wat voor soort man jij wilt worden op die planeet.

En wat was dan jouw volgende stap?

Mijn volgende stap was dat ik… eigenlijk de informatie die ik kreeg van die jood, die ik kreeg van christenen en van de moslims dat ik daar zoveel overeenkomsten in zag dat ik zei; oké, ik gooi het gewoon in een pan. Want het komt van dezelfde bron en dat is een interessante soep voor mij. Dus ik begon eigenlijk als een gelovige te leven terwijl ik geen lid wilde worden. Ik wilde geen jood worden, geen christen en geen moslim worden officieel. Omdat ik toentertijd vond dat die, ik zei altijd de ‘voetbalclubs’, zo noemde ik het, maken zoveel ruzie met elkaar dat ik er geen lid van wil worden. Want als ik de een ben, wil ik de ander niet haten, en als ik de andere ben wil ik ook niet een hekel hebben aan de tweede of de derde groep. En ik vond eigenlijk dat in die tijd..

ik vond gelovige mensen ongelofelijk hypocriet. Jij zegt dat in de Bijbel God liefde is, jij zegt dat God wederzijds respect is. Maar als ik kijk naar de blanke, Europese geschiedenis, en vooral de Nederlandse geschiedenis, vind ik dat niet terug. Dan ben je of een hypocriet naar je eigen boek, of je weet niet waar je over praat. En in die tijd had ik zoiets van, ik kan het beter zelf met mezelf uitzoeken en zelf als , wat ik denk dat een Godsgelovig mens is, gaan leven.

Maar nu ben je lid van zo een club, wat was daar dan de beslissende factor in?

Ik heb op mijn zeventiende een gebed gedaan in het Vondelpark.

Een bepaald religieus gebed?

Nee, ik maakte toen mijn eigen gebeden. Ik geloofde dat er maar een God was en ik heb God mijn hart beloofd zoals ik dat noem. Ik ben wel als een christen gaan zitten, want dat was wat ik mee had gemaakt en God me hart beloofd en gezegd dat als Hij me hulp nodig had dat hij me kon komen halen. En heb ik ook nog bij gezegd, waar ik me nu soms wel voor schaam, dan moet je wel duidelijk zijn dat je niet de duivel bent anders krijg je een klap voor je hoofd.

En toen?

Daar waren heel veel jaren over heen gegaan. Ik kwam moslim jongeren tegen, die waren zo crimineel dat ik op een gegeven moment heb gezegd, omdat ik niks wist van de islam, als dat jou religie is hou het maar. Want ik leef nu al drie keer beter dan jullie alle vijf bij elkaar. Jullie hebben wel een grote mond maar jij bent een zakkenroller, jij loopt drugs te dealen, jij wordt een junk, jij bent een alcoholist en je verricht je gebed nooit. Je liegt en bedriegt. Dat was ook een reden waarvoor ik mijn christelijke familie in het dorp, ik vond ze ongelofelijk racistisch. Dat ik zei, je gelooft toch in God, je gelooft toch dat alle mensen afstammelingen zijn van Adam en Eva? 

Je gelooft toch dat we allemaal door de zelfde God zijn gemaakt, hoe kan je dan racistisch zijn? Hoe rijm je dat? Ik had al zo een hekel aan, aan al dat soort gedrag wat ik zag. Ik ben ook naar die joodse vriend gegaan, die heb ik getest met een vraag. Ik zeg, nou stam ik van een familie van rabbijnen af, als ik nou een jood wil worden.. jij vertelt me dat een rabbijn heeft de taak om de mensen het pad van licht naar God te wijzen. Meer niet, hij kan je niet dwingen om erop te stappen, zelfde als een imam. Hij kan je zeggen, daar is Allah, zo ga je naar hem toe maar hij kan niet zeggen je moet dat pad gaan belopen. Dat mag niet want dan neemt hij jou eigen vrije wil, die je van Allah hebt gekregen, dat neemt hij jou af en dat mag niemand.

En toen heb ik hem getest, ik zei als ik nou jood word dan wil ik mijn vriend ook meenemen naar de synagoge want die wil ik dat pad van God ook laten zien. Hij kijkt me aan en zegt: ja maar ‘ho’. Ik zeg; ho? Dat heb je me toch net zelf verteld? Hij vroeg, wat is die vriend? Ik keek hem en aan zei, net als jij en ik een mens. Ja maar wat is hij? Ik zeg, een mens geschapen door God, een afstammeling van Adam en Eva. Hij vraagt weer wat is hij, ik zei ik weet niet wat je bedoelt. Hij zei waar komt hij vandaan, ik zeg hij is een Surinaamse creool. Hij keek me aan en zei; ja maar dat kan niet. Ik zeg hoe bedoel je dat, hij is een mens, hij is gemaakt door God, hij is hetzelfde als jij en ik, hij heeft vijf vingers, als je zijn schoenen uittrekt zie je vijf tenen. Hij zei; nee hij heeft geen joodse moeder.

Dus jij zag beperkingen?

Nou nee, ik ben ongelofelijk kwaad geworden. In die tijd, ik praat nu over 82, er waren maar vijf miljoen joden op vijf miljard mensen. Dus jij gaat mij vertellen dat God zo onredelijk is dat maar vijf miljoen Hebreeërs, die een joodse moeder hebben dus alleen maar tot God mogen komen?! Jouw religie kan nooit de ware religie zijn van God. Dan geloof ik eerder de christenen en de moslims  want in hun religie maakt het niet uit al ben je een pygmee uit Afrika of ben je een Inuit Eskimo uit Lapland, je kan altijd dat geloof in. Dus jou geloof is niet waar, dus  of een leugen of een zelfverzonnen iets.

Maar ik geloof niet dat als er een God bestaat, waarvan ik denk dat Hij redelijk is, dat Hij dit iemand zou kunnen aandoen. ‘Je hebt geen Hebreeuwse moeder, dus je mag niet tot Mij komen’. Ik heb hem gezegd, ook al stam ik van een familie van meer dan paar duizend jaar rabbijnen, ik zal nooit jood worden. Ik was er meteen klaar mee ook, ik heb er nooit meer interesse in getoond. Wel in het volk, maar niet in hun religie. Omdat ik dacht, dat kan niet, dat kan niet waar zijn. Dan is God niet redelijk en dat kan niet.

Hoe komt het nou dat jij, je zegt heel stellig ik heb er nooit meer interesse in getoond. Je hebt ook moslims ontmoet die ook niet goed praktiseerden maar nu ben je moslim geworden, hoe is dat gegaan?

Ik kwam ineens een gentlemen tegen. Hele goede vriend van me, een intellectueel die in Marokko een universitaire studie had gehad. Dus hij kon lezen en schrijven, heel belangrijk. Dat ontbreekt er af en toe aan, zeker in die tijd ook. Tachtig procent wat hier woont van de eerste generatie kan niet lezen en schrijven.

Dus je had het getroffen, vertel.

En die kon ik al mijn vragen stellen. A. kon ik hem mijn vragen stellen en B. maakte hij mij ook duidelijk toen hij mij leerde kennen. Zei hij: je leeft als een moslim!  Criminaliteit wil je niet doen want dan zeg je God kijkt naar me. Je had geld zat kunnen verdienen maar dat schijn je niet te willen. Want ik ben intelligent, ik ben echt wel meer dan een keer gevraagd door criminelen om zaken met ze te doen of om dingen voor ze te doen om veel geld te verdienen. Want A ben ik hard, ik kan heel hard zijn, ik ben niet makkelijk te intimideren en ben niet zo gauw bang van iets. En ik praat niet, ja over mijzelf maar niet over anderen en dat zit er al van kleins af aan in.

Dus die man zei: weet je wat voor jou goed is?

Nee dat heeft hij nooit gezegd. Ik ben hem gewoon gaan vragen over de islam, want dit is een man die de Koran en de hadith goed kende, de overleveringen van de profeet Mohammed (vrede zij met hem). Dus ik kon vragen stellen en weer kwam ik er achter; wat jij mij vertelt dat heb ik ook bij de christenen gehoord en ook van die jood. Dus ik kwam in het begin verschillen, maar meer overeenkomsten dan verschillen tegen. Bijvoorbeeld of je nou aan een jood, een christen of een moslim vraagt mag je stelen? Nee mag ik niet, mag je oude mensen beroven op straat? Nee mag ik niet, mag jij liegen, bedriegen en complotteren? Zeggen ze alle drie: nee dat mag ik niet.

Maar dan komt de vraag. Jij vond alles op elkaar lijken, wat was nou de reden dat je moslim werd?

De salat (gebed). Op een gegeven moment vroeg die zelfde man mij; kan jij met een kennis van mij, die jij kent, meegaan naar het ziekenhuis want hij heeft een kunstarm. Hij spreekt wat Duits, jij spreekt wat Frans en hebt ervaring met Bedoeïenen. Ik was op me 28e naar Palestina gegaan, ik had met de bedoeïenen een halfjaar in de woestijn geleefd. Ik liep daar in bedoeïenen kleding, in een djellaba met een doek om me hoofd. We gingen naar het ziekenhuis en we hadden het over spiritualiteit. En toen zei ik; ik heb al heel lang niet gebeden, vroeger deed ik dat altijd. Dan sprak ik met God, maar dat heb ik al een tijd niet gedaan en eigenlijk schaam ik me daar voor. En toen zei hij; dan ga je toch mee naar de moskee, ik ijk hem aan en zeg dat kan toch helemaal niet. A ik heb een Hebreeuwse moeder, B ik ben niet besneden en C ik ben geen moslim.

Want ik dacht; een moskee daar mogen alleen moslims naar binnen, daar mag jij niet als niet-moslim naar binnen gaan om te bidden, of informatie te vragen of dat soort zaken. Ik wist wel dat ik elke christelijke kerk binnen kon lopen, maar dat wist ik niet van een moskee. Die man zei maar dat mag wel, dan ga je toch gewoon mee om een gebed te doen in de moskee. Toen zei ik ja dat maakt eigenlijk ook niet uit, want een huis van God is een huis van God. Of je nou bij de een naar binnen loopt of bij de ander, of het nou een joods synagoge is waar je binnen loopt of een christelijke kerk, of een moskee. Ik geloof dat er maar een God is en dat je Hem kan vinden in een van de drie huizen van God.

Heb je toen ook dat gebed fysiek gedaan, de buigingen etc.?

Ja ik heb meegedaan. En mijn doorbraak waarom ik moslim ben geworden. Ik ben eerst naar de imam gelopen uit beleefdheid, hij zat vooraan. En ik zei tegen hem; ik moet u iets vertellen, ik heb een joodse moeder, een christelijke vader die niet praktiseert en niet gelooft, ik ben niet besneden en ik sta nu in de moskee, kan dit? Die man was heel vriendelijk en zei natuurlijk, ik mag jou niet eens weigeren. Het is een schande voor Allah als ik jou weiger, jij schijnt iets te zoeken dus heb je het recht om dat te doen. Ik keek hem aan en ik zeg; ik mag dus meedoen aan het gebed? Ja, zegt hij, dat mag. Ik liep met de andere man, die mij had meegenomen, mee naar beneden om de wassing te doen.

Dat had ik nog nooit gezien natuurlijk. Want de ervaring die ik had was christelijk en christelijke mensen doen geen wassing voor ze het gebed ingaan. Die gaan niet eerst hun handen wassen, hun mond en hun neus spoelen, de voeten wassen etc. Dat had ik nog nooit gezien, ik begreep dat niet. Dus ik ben naar beneden gegaan, ik heb gewoon gedaan wat hij deed. Hij zei; dat is om je ziel te wassen. Dat vond ik verschrikkelijk mooi. Dat is wel heel speciaal, normaal dacht ik altijd dat je je ziel reinigt door een gebed naar God te doen. Maar dit is een extra dimensie die ik niet ken, die ik heel mooi vond. Toen heb ik meegedaan in het gebed. De imam had me gezegd; je mag kijken om je heen, want je weet niet hoe het moet, kijk maar wat anderen naast je doen en dan begrijp je het vanzelf.

En het gebeurde toen ik met me hoofd op de grond lag, toen ik in die buiging op de grond (soedjoed) ging. Het klinkt heel gek, ik heb daarna zitten huilen, na het gebed voor twee minuten. Het was net alsof Allah sprak in me hoofd. En ik zat te twijfelen , ik dacht ben ik mezelf nou in de maling te nemen, wat is dit? Ik hoorde: ‘je hoeft niet meer te zoeken, je hebt een hoop paden afgezocht en je hebt het gevonden’. Gelukkig kwam die vriend die al heel lang mijn vriend was. Achttien jaar lang al, die had het gebed daar verricht. Ik ben meteen naast hem gaan zitten, direct. En ik heb het hem uitgelegd en hij begon te lachen. En toen zeik ik; hebben jullie een vertaling van de Koran?

Want mijn Indonesische vriend die ik had, met wie ik in huis had gewoond op mijn achttiende en waarmee ik getraind had. Die was moslim geworden en had mij een Koran vertaling gegeven. Maar omdat ik zo een verdriet had, die man was mijn beste vriend die ik ooit had, was overleden. Heb ik eigenlijk dat boek nooit ingekeken, ik kon het niet. Elke keer als ik het pakte, legde ik het weer terug. En toen sloeg ik de Koran open, en de eerste bladzijde die ik opensloeg was geloof ik surah (hoofdstuk) al Baqarah (De Koe) dat Allah zegt tegen de joden: ‘Zo, en heb ik jullie alleen maar mijn paradijs beloofd. Leugenachtig is jullie mond.’

En ik tikte meteen mijn vriend aan en ik zei; lees wat ik lees als eerste, weet je nog dat verhaal wat ik tegen die jood heb gezegd, waarom ik geen jood wilde worden. Hij keek me aan en zei; zo zie je maar, Allah weet jou te bereiken. Puur toeval bestaat niet, zei ik tegen hem. En toen wist ik het zeker.

Dus je had gelijk het gevoel; de Koran spreekt tot mij.

Ja, dat had ik al eerder gehad. Op reis had ik dat gehad, dat God niet met me sprak maar wel dingen voor mij deed. Er gebeurden dingen in mijn leven, continu. Dat kan niet zo zijn als er niets bestaat. Ik lees de tjinga, en die zeggen het ook; puur toeval is geen toeval, het zijn dingen die moeten zo zijn, die zijn voor jou bestemd. Alleen zij geven daar een andere uiting aan vanwaar dat afkomt. Maar daar geloofde ik al, dat puur toeval niet bestond.

Op welke datum ben je uiteindelijk bekeerd, als kers op deze taart?

Ik kwam in september in de moskee, toen heb ik dat gebed gedaan na 11 september, niet lang daarna. Toen heb ik meteen mijn ramadan gedaan, vol. Dus gevast, en elke dag mijn gebed verricht. Terwijl de sheikh (imam/geleerde) mij 5 a 6 weken heeft laten wachten om mijn shahada (geloofsgetuigenis) uit te laten spreken, wat hij normaal nooit deed. Half november kwam ik bij hem en ik zei; ik hou het niet meer, ik ga het straks zelf buiten zeggen want Allah hoort het toch wel, ik heb jou eigenlijk helemaal niet nodig. Ik heb geen priester nodig om mij in de islam te bekeren, dat begreep ik al. Ik hoef alleen maar dat zinnetje uit te spreken, vanuit mijn hart en vanuit mijn gevoel. Toen zei hij; dan doe je hem morgen als je wil, op dinsdag. Ik zei; nee ik wil op vrijdag, ik wil alleen op vrijdag mijn geloofsgetuigenis uitspreken.

Ik wil je bedanken voor je openhartigheid, we zijn helaas door de tijd heen. En bedankt dat je je verhaal met ons wilde delen.